Wetenschappelijk onderzoek naar het ‘doula-effect’

Het doula-effect is ontdekt door twee kinderartsen, Dr. Marshall Klaus en Dr. John Kennell.

Deze twee kinderartsen wilden een onderzoek doen naar hechting tussen de moeder en het kind in het postpartum-stadium. Zij vroegen studenten de vrouwen te observeren na hun bevalling en hun bevindingen te noteren. Het aantal aanrakingen, het aantal keer aankijken, het stemgebruik van de moeder, dat soort dingen. Tijdens het doornemen van de gevonden observaties viel één ding op. Bij één studente waren de observaties namelijk heel anders dan alle andere. De moeders die door deze studente waren geobserveerd hadden een betere hechting met hun kind. Bovendien was bij deze moeders de bevalling veel makkelijker gegaan, korter van duur, met minder complicaties en minder ingrepen.

De kinderartsen waren hierdoor zo geïntrigeerd dat ze de studente bij zich riepen en haar vroegen naar een verklaring voor deze afwijkende resultaten. De studente moest toen wel bekennen dat ze zich niet aan de opdracht had gehouden. In plaats van pas na de bevalling te gaan observeren, was zij al tijdens de bevalling bij de vrouwen in de kamer gaan zitten. Ze wilde heel graag zien hoe een bevalling zou verlopen en had de vrouw alleen maar af en toe een bemoedigende blik toegeworpen, verder niet. De stille aanwezigheid van deze studente was al voldoende voor de vrouwen om meer vertrouwen te hebben in zichzelf. Het onderzoek naar hechting was hiermee niet meer bruikbaar, MAAR de kinderartsen hadden wel een enorme ontdekking gedaan: “het doula-effect”.

Cijfers

De resultaten naar het doula-effect op het verloop van de bevalling zijn, zo blijkt uit de vervolgonderzoeken van de bovengenoemde kinderartsen (1993):

  • 50% minder keizersneden
  • 25% kortere duur van de bevalling
  • 60% minder verzoeken om een ruggenprik
  • 40% minder gebruik van inleidingen
  • 30% minder verzoeken om pijnbestrijding
  • 40% minder tangverlossingen